Sony wint zaak inzake vooraf geïnstalleerde Windows Software

sony

Volgens een beslissing van het Europese Hof van Justitie (HvJ) van 7 september 2016 is het verkopen van een computer met vooraf geïnstalleerde software geen oneerlijke handelspraktijk en bestaat er geen verplichting om de kosten voor de vooraf geïnstalleerde software apart te vermelden.

Het HvJ deed uitspraak in een zaak tussen Vincent Deroo-Blanquart en Sony. Deroo-Blanquart kocht eind 2008 een Sony laptop maar weigerde bij het eerste opstarten om in te stemmen met de eindgebruikersovereenkomst (EGO) van het besturingssysteem. In navolging hiervan verzocht hij Sony om het deel van de aankoopprijs van de computer dat betrekking had op de kosten van de vooraf geïnstalleerde software terug te betalen.

Sony weigerde dit te doen op grond dat de computers met de vooraf geïnstalleerde software één enkel en onlosmakelijk aanbod vormden. Als tegenvoorstel bood Sony Deroo-Blanquart aan om de verkoop te annuleren en hem de volledige aankoopprijs terug te betalen, mits teruggave van de computer.

Deroo-Blanquart verwierp dit voorstel en dagvaardde Sony om te verschijnen voor de tribunal dʼinstance d’Asnières (rechter in eerste aanleg Asnières, Frankrijk). Hij verzocht de rechter daarbij om Sony te veroordelen tot betaling van 450 EUR als vaste vergoeding voor de vooraf geïnstalleerde software en van 2 500 EUR ter vergoeding van de door de oneerlijke handelspraktijken geleden schade.

Nadat de vordering van Deroo-Blanquart zowel in eerste aanleg als beroep was afgewezen, stelde hij cassatieberoep in bij het Franse Hof van Cassatie. Het Hof schorste de behandeling van de zaak en verzocht het HvJ om een antwoord te geven op de vraag of het leveren van een computer met vooraf geïnstalleerde software, zonder de mogelijkheid voor de consument om hetzelfde model computer zonder vooraf geïnstalleerde software te kopen, moest beschouwd worden als een oneerlijke handelspraktijk. Tevens werd gevraagd of het ontbreken van een prijsaanduiding voor elk van de vooraf geïnstalleerde softwareprogramma’s moest worden beschouwd als een misleidende handelspraktijk.

Met betrekking tot de eerste vraag oordeelde het HvJ dat het bundelen van computers met vooraf geïnstalleerde software (zonder dat de consument de mogelijkheid wordt geboden om hetzelfde model computer zonder vooraf geïnstalleerde software te kopen) niet als een oneerlijke handelspraktijk moet worden beschouwd, zolang ‘dergelijk aanbod niet in strijd is met de vereisten van professionele toewijding en het economische gedrag van de gemiddelde consument niet verstoren’.

Volgens het HvJ komt het aan de nationale rechter om te bepalen of de betrokken consument een geïnformeerd besluit heeft kunnen nemen, i.e. of de consument vóór de aankoop in kennis was gesteld dat het betrokken model computer niet zonder vooraf geïnstalleerde software in de handel verkrijgbaar was en het hem dus in beginsel vrij stond om een ander model computer te kiezen, van een ander merk, met vergelijkbare technische kenmerken, dat werd verkocht zonder software of met andere software.

Op de tweede vraag of het ontbreken van een prijsaanduiding voor elk van de vooraf geïnstalleerde softwareprogramma’s moest worden beschouwd als een misleidende handelspraktijk, antwoorde het HvJ negatief.

Volgens het HvJ wordt een handelspraktijk als misleidend beschouwd wanneer er essentiële informatie wordt weggelaten die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te maken over de transactie.

Het HvJ oordeelde dat het vrij onwaarschijnlijk was dat de gemiddelde consument door het ontbreken van een prijsaanduiding voor elk van de softwareprogramma’s niet in staat zou zijn om een geïnformeerd besluit te nemen over zijn transactie en dat er bijgevolg geen sprake is van een misleidende handelspraktijk.

De volledige zaak kan u hier nalezen